Donderdag 31 maart 2016
Limburgs Dagblad
www.limburger.nl
Auteur: Stefan Gillissen


 De Tweede Wereldoorlog staat nog steeds volop in de belangstelling. Amateur-archeologen wagen lijf en leden tijdens zoektochten. Helaas blijken ze niet allemaal de juiste intenties te hebben.

Lijkenpikkers in de gehaktmolen
Door Stefan Gillissen

Lichten zweven boven de grond. In het duister dansen ze door het labyrint van dennenbomen. Stemmen klinken, fluisteringen in de nacht. De mannen die anno 2016 rondspoken in het Duitse bos weten verdomd goed dat ze stil moeten zijn. Maar geluid draagt ver.
Soldaten die tijdens de Tweede Wereldoorlog vochten in de slag om het Hürtgenwald wisten dat verdomd goed. Een krakend takje, licht gerinkel. Het kon een doodvonnis betekenen.
Daar hoeven de speurders die zeven decennia later rondlopen niet voor te vrezen. Ze kunnen hooguit een fikse boete krijgen omdat hetgeen ze doen streng verboden is.
Ze zoeken overblijfselen dan de Tweede Wereldoorlog maar verstoren daarbij de grootste begraafplaats van het Europese front.

Meer dan 35.000 doden vielen in en rond het Hürtgenwald. Honderden soldaten zijn in het bos achtergebleven. Dat heeft dan ook meerdere bijnamen gekregen. The Meat Grinder, de Gehaktmolen. Of the Death Factory, de Dodenfabriek.

Wat de soldaten hebben achtergelaten, is voor veel verzamelaars goud waard. Met enig gevoel voor overdrijving kun je de zoektochten in het Akense woud, maar ook in de Ardennen, goudkoorts noemen. Steeds meer mensen gaan bewapend met een metaaldetector op pad. Soms levert dat bijzondere vondsten op. Zoals dog-tags (identificatieplaatjes). Doorgaans proberen speurders de bij nabestaanden terug te bezorgen, maar dat gebeurt lang niet altijd. Een behoorlijk aantal spullen komt online op veilingsites terecht. Voor prijzen vanaf 25 euro komen delen van de uitrusting zoals helmen, wapens en emblemen terecht bij anonieme verzamelaars. Dat is tegen het zere been van bijvoorbeeld het Joint POW/MIA Accounting Command (JPAC). Deze divisie van het Amerikaanse ministerie van Defensie zoekt de wereld af naar vermiste soldaten. En alle aanwijzingen die verloren gaan, belemmeren dat onderzoek. JPAC heeft vierhonderd werknemers en een budget van 35 miljoen euro. Om een beeld van hun taak te schetsen: na de Tweede Wereldoorlog waren er ruim 78.000 gesneuvelde Amerikaanse soldaten van wie de stoffelijke resten zoek waren. Lichaamsdelen die JPAC in handen krijgt, worden onderzocht in het Central Identification Laboratory in Hawaii. Geregeld kan daardoor een soldaat alsnog begraven worden door zijn familie.

Aan Nederlandse kant zijn er ook initiatieven. De Gelderse stichting Missing in Action (M.I.A.) bijvoorbeeld. Die heeft stilaan het vertrouwen van overheden gewonnen. De stichting probeert momenteel de stoffelijke resten van Cliffe Wolfe, Raymond Blanton, William Roller en Virgil Carson te vinden. Die mannen worden herdacht op de Muur der Vermisten van de Amerikaanse begraafplaats Margraten.
Stichting Missing in Action (M.I.A.) waarschuwt voor zoektochten in voormalig oorlogsgebied. Die zijn risicovol, veel wapentuig staat nog op scherp. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog zijn daardoor honderden burgers om het leven gekomen. De meeste amateur-archeologen zijn zich daar bewust van en melden belangrijke of gevaarlijke vondsten aan de overheid. Een probleem is dat er altijd rotte appels zijn, zoals de man die op een forum zijn illigale vondsten toont. Het postscriptum is veelzeggend. De scherpe sheiss is weer lekker terug de grond in gegaan!